Peter Pontiac

Tekenen als een rockgitarist

Peter Pontiac tekende zijn hele leven als een bezetene. Niet alleen zijn tekendrift was fenomenaal, ook zijn stijl. Het werk van deze in Beverwijk geboren striptekenaar zit bomvol details die ternauwernood binnen de lijntjes van de stripkaders blijven. Wie in- en uitzoomt, ontdekt in zijn overdadige illustraties telkens nieuwe details. Ondanks zijn sterke hang naar de duistere kant van het leven biedt Pontiac zijn fans, en zichzelf, ook enige lucht. Zijn werk is behalve zwartgallig ook sierlijk en grappig.

Nadat hij een blauwe maandag op de kunstacademie doorbracht, laat de jonge Pontiac (1951-2015)  zich al snel verleiden tot een leven dat zich vooral ’s nachts afspeelt. Hij dompelt zich graag onder in de wereld van de ‘sex, drugs and rock ’n roll’. Tussendoor blijft hij verwoed tekenen. Eerst laat hij zich graag leiden door voorbeelden als Robert Crumb en Rick Griffin, later zingt hij zich daar steeds meer van los en neigt hij naar ‘leger’ en ingetogener werk. Maar bovenal is Pontiac in het striplandschap enig in zijn soort. Stripliefhebbers kennen hem van zijn undergroundwerk in de bladen Gummi en Tante Leny Presenteert. Punk- en rock ‘n’ roll-adepten waarderen hem voor zijn tekeningen voor cd-hoesjes, posters, LP-hoezen en columns (Roel Bentz van den Berg, De Luchtgitaar). Nadat hij begin jaren tachtig de drugs afzweert, stort hij zich volledig op zijn werk. De affiniteit met de muziekwereld blijft. Als hij aan een tekening begint voelt Pontiac zich, naar eigen zeggen, een muzikant die zijn gitaar omhangt en, na het inpluggen en aan wat knopjes draaien, helemaal losbarst. Zijn originaliteit en vakmanschap dwingen in brede en internationale kringen respect af. Hij tekent onder meer voor het AD, NRC, OOR en de Volkskrant en wint de Marten Toonderprijs (2011) en de Stripschapprijs (1997). In 2000 verwerkt hij de getroebleerde relatie met zijn vader, een voormalige SS’er, in de graphic novel Kraut, waarvan schetsen en originele tekeningen bij KEK te zien zijn. 

Ook in taal is Pontiac een uitblinker. In de documentaire die Chris Kijne van hem maakte (Uur van de wolf, 2003), rollen de mooiste volzinnen en uitspraken uit zijn mond. Hij vergelijkt zichzelf, voordat hij een eerste lijn op papier zet, met de schaatser die een lege magische ijsvlakte voor zich ziet. ‘Ik bind mijn pen onder en dan, door een kunstige verdeling van vlekken en lijntjes, heb ik iets toegevoegd aan de wereld of, (verlegen lachje) in ieder geval, aan mijn oeuvre.’ Zelden bekeek hij het werk van collega’s. Het was allemaal zo knap, vond Pontiac, dat ontmoedigde hem alleen maar. Waarom zou je hier nog iets aan willen toevoegen? Een bescheidenheid die nu, voor wie zijn oeuvre overziet, beklemmend en schrijnend aandoet, want Pontiac tekende als de beste.